↑ Terug naar Woordpakketten

Woordpakketten 2de leerjaar

De dictees voor de woordpakketten van het 2de leerjaar vind je hier.

Woordpakket 1

tien de man dus de deur
het het net nee de vis
een het vuur ik won de zoon
me hij gaat er de heer
de zee de de soep af

Woordpakket 2

de knal hij staat de ster het(de) snoep
het spel stuk de stam smal
de knoop ik stop de spin ik speel
wij staan ik steek de steen het stuur
de knop de stoel ik snik het spook

Woordpakket 3

het vlees de tram slim ik zwom
de groep ik kroop ik bleef ik zweet
dwaas de kleur de fles de brief
ik sliep de broek plus groen
druk de gleuf zwaar broer

Woordpakket 4

de muis het luik uit het stuur
de fluit de uil de buik lui
de kleur bruin de spuit de kuil
ik kruip de snuit de tuin het huis
ruim het fruit de gleuf vuil

Woordpakket 5

het ei ziek ik zei niet
ik zie de geit de reis lief
klein het plein de trein wie
het bier de klei diep de friet
tien ik sliep mei de wei

Woordpakket 6

mee ja de knie wie
twee de ma de pa zo
de trui de zee de tweede meegaan
ik sta nee de fee nu
de slee meedoen ik ga drie

Woordpakket 7

de hulp als de arm paars
erg ons duurt hij voelt
de hals de melk het dorp elf
de film de beurt eens iets
de fiets ik hielp hij zoekt juist

Woordpakket 8

ik zei hij klein de trein
wij ik bijt fijn mijn
het ei blij vrij de reis
ik blijf zij mei de prijs
het plein hij kijkt de wei het einde

Woordpakket 9

mooi de haai zij gooit ik draai
de vlooien hij groeit ik gooi ik groei
de kooi saai nooit wij draaien
de koeien oei hij draait de kooien
mooier taai jullie gooien mooie

Woordpakket 10

je groeide wij geeuwen nieuwe wij gooiden
de leeuwen de sneeuw ik gloei nieuw
ik draaide wij draaiden de kraai ik geeuw
de kraaien het hooi wij gloeien saaie
de leeuw jullie groeien ik gooide de mooiste

Woordpakket 11

de stroom ik schiet hij schreeuwt het schijnt
het schip de schok de schoen de school
scheen ik schreef de schuur hij schrikt
ik sprak de straat zij schrijft de schat
de straf de streep hij spreekt hij schopt

Woordpakket 12

het begin liefst het geweer het bezoek
de broers het geheim zwart de dorst
gelijk het verdriet ik vertel de flits
hij bestaat sterk het verhaal de plaats
je blijft zij durft hij steekt hij helpt

Woordpakket 13

luid het bloed breed brandweer
ik heb het veld de grond de ramp
de vriend rood het bed goedkoop
de draad hard het zwembad het hart
de tent ik sluit het hoofd het strand

Woordpakket 14

het einde zij vielen de weide fijne
groene de vijfde de keuken wijde
hij huilde juiste luide de deuren
mijn moeke bruine leuke diepe
wij riepen goede de heide rijke

Woordpakket 15

hij denkt de vingers ik dank hij brengt
ik spring hij klonk de drank wij drinken
links bang ik breng de bank
jonge ik sprong de winkel het ding
de plank de slang wij vangen eng

Woordpakket 16

ik zou de pauw de saus de fout
flauw het goud het hout de paus
jouw stout oud het gebouw
jou de auto de ouders de vrouwen
nou de vouw blauw koud

Woordpakket 17

het varken de bergen de duivels kleiner
de hoofden buiten de winter de morgen
dieper ik wandel de wortel de sleutels
de vleugels de tijgers de duivel ik luister
vroeger anders de moeders de sleutel

Woordpakket 18

de nachten hij legt de vlucht zij volgt
jij krijgt hij vliegt ik zucht acht
het gezicht de bocht de lichten hij jaagt
de kracht jij zegt dicht zij vraagt

Woordpakket 19

de kippen wij zwemmen de potten binnen
de ratten wij kennen witte zij kunnen
alle zij missen wij wassen de messen
zij liggen wij stoppen zij zullen gekke
de zakken jullie de sokken de bossen

Woordpakket 20

tussen de remmen wij willen zij kloppen
jullie rennen de bussen de vissen de modder
jullie winnen alleen alles wij klimmen
de poppen de zussen zij stappen zij trekken
de appel wij zeggen de stokken zij zetten

Woordpakket 21

het oog de boog ik krijg de berg
ik lach de mug echt hij kocht
ik volg zacht ik leg een slag
pech de dwerg het licht de nacht
ik zorg zich ik sloeg recht

Woordpakket 22

de apen dure de beker de bomen
wij lopen de damen grote de kamers
de ezel duren de tafel de muren
het teken de vogels de buren het water
zeven de uren de deken over

Woordpakket 23

wij roepen de bakker de scholen deze
wij bellen de maanden mager zij spelen
de dwergen negen de koppen dikke
het konijn de olie wij duiken zij zullen
de schapen de poorten de vuren de lampen

Woordpakket 24

blauw ik heb nieuw de leeuw
de bocht de hoed saai nooit
hij groeit de euro wij kruipen hij volgt
de schoenen het gebouw ik vergeet de pech
leeg het plein de vijfde ik schrijf

Woordpakket 25

de regen de geuren de appels wij geven
de spiegel zij blijven zure de paarden
zij snoepen wij kunnen de zomer de duinen
de soorten de poppen de geiten wij speelden
open zij trekken de haren jullie zitten

Woordpakket 26

de brandweer een vrijdag hij kruipt de haai
de koeien nieuwe de ouders de auto
ik lach hij zucht het strand de weide
omhoog mooie hij vliegt de ingang
de bank hij denkt de schreeuw zij hangt